Bestuursrecht (RE 31) deel 55. KLACHTMOGELIJKHEDEN TEGEN OVERHEIDSOPTREDEN
5.1 Rechterlijke organisatie in Nederland
De belangrijkste bepaling met betrekking tot de klachtmogelijkheden tegen overheidsoptreden is art.6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM):
"Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. (...)"
5.1.1 Historie
Om iets te begrijpen van het ingewikkelde stelstel van rechtsbescherming in Nederland moeten we allereerst terug naar het verleden. In Nederland was er in oorsprong één soort rechter, de “gewone” of civiele rechter. Die rechter kon kennis nemen van ieder geschil als het maar om een op geld waardeerbare vordering gaat. De gewone rechter bestaat uit
kantongerecht (Ktr);
rechtbank (Rb);
gerechtshoven (Hf);
Hoge Raad (HR).De Hoge Raad is de hoogste gewone rechter en heeft meermalen uitgesproken dat de gewone rechter slechts bevoegd is kennis te nemen van een geschil als er geen andere rechtsgang bestaat waarbinnen men hetzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan behalen. Daarbij is er volgens de HR alleen sprake van een andere rechtsgang als een andere instantie over de zaak kan oordelen en er in de procedure bij die ander voldoende waarborgen zijn opgenomen.
Naast de gewone rechter is namelijk in de loop der jaren een groot aantal bijzondere rechters geïnstalleerd, die slechts bevoegd zijn over bepaalde geschillen te oordelen. Daardoor is de gewone rechter ook een algemene "restrechter" geworden (een soort "vangnetfunctie").Iemand die wil klagen tegen overheidsoptreden zal dus allereerst moeten bekijken of er een bijzondere rechter is, die bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Als die bijzondere rechter er is, heeft het geen zin om de gewone rechter in te schakelen, behalve als men het gewenste resultaat niet bij de bijzondere rechter kan bereiken, terwijl de gewone rechter hier wel bevoegdheden heeft.
Een treffende illustratie zien we bij de casus-Nistelrode. De bijzondere rechter die bevoegd was van de anticipatie-vergunningen kennis te nemen was de Afdeling Rechtspraak. Die Afdeling kon echter alleen ex tunc toetsen. De gewone rechter kon ook ex nunc toetsen. Daardoor had de gewone rechter meer bevoegdheden en kon de appellant (de BMF) wel het nagestreefde resultaat (stoppen met aanleg weg) bereiken bij de gewone rechter en niet bij de Afdeling rechtspraak.Welke bijzondere rechters zijn er nu, waarbij wij met name kijken naar de bijzondere administratieve rechters?
De Wet op de Studiefinanciering kent een eigen rechterlijke instantie (het College van Beroep voor de Studiefinanciering). De Pachtwet kent de Centrale Grondkamer als rechter, de Advocatenwet kent het Hof van Discipline als rechter en de Zaaizaad- en Plantgoedwet kent de Raad voor het Kwekersrecht als rechter. Zo zijn er nog talloze andere voorbeelden te geven.
Soms worden voor een bepaald terrein van overheidszorg een bijzondere rechter benoemd (dus niet voor één wet). Zo zijn belastinggeschillen opgedragen aan twee rechters: het gerechtshof (dat ook als gewone rechter fungeert) en een Tariefcommissie, die oordeelt over douane, invoerrechten en accijnzen.
De totale sociale verzekeringsrechtspraak is opgedragen aan de rechtbanken, met als hoger beroepsorgaan de Centrale Raad van Beroep. Ook ambtenaren- en pensioenrechtspraak is opgedragen aan de rechtbanken, met hoger beroep op de al eerder genoemde Centrale Raad van Beroep.
Economische bestuursrechtspraak wordt beslecht door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB).5.1.2 Het einde van het Kroonberoep
Het Kroonberoep is al meer dan 100 jaar lang gezien als het beste sluitstuk voor rechterlijke controle op het overheidsoptreden. De Kroon had als voordeel dat het een bestuursorgaan was en tegelijkertijd, door de centrale rol van de onafhankelijke Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State, een relatief onafhankelijk en onpartijdig oordeel gaf. Dus een soort rechter die het overheidsoptreden volledig kon toetsen, zowel op rechtmatigheid als op doelmatigheid. Alhoewel de Kroon zelf nooit heeft verklaard dat zij een rechterlijke instantie zou zijn, werd dit min of meer voetstoots aangenomen. Ook de Hoge Raad heeft aangegeven dat in geschillen waarin de Kroon kon oordelen er geen ruimte meer was voor de gewone rechter om nog van dat geschil kennis te nemen.
In 1985 wist echter de Friese benzinepomphouder Benthem van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de uitspraak te ontlokken dat bij een Hinderwetvergunning burgerlijke rechten en verplichtingen werden vastgesteld waardoor art.6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens toepasselijk was. Dit artikel garandeert voor een ieder bij dergelijke geschillen een oordeel door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Tegen Hinderwetvergunning (nu: milieuvergunningen) was toentertijd beroep mogelijk bij de Kroon. Het Europees Hof oordeelde dat de Kroon in verband met de mogelijkheid van invloed op de uitspraak door de minister geen sprake was van een van het bestuur onafhankelijke en onpartijdige rechter.
Na deze voor het Kroonberoep desastreuze uitspraak van het Europese Hof moest de Nederlandse wetgever maatregelen nemen. Zonder maatregelen zou immers de gewone rechter niet meer mogen aannemen dat het Kroonberorep met voldoende waarborgen was omgeven en was deze rechter dus bevoegd kennis te nemen van geschillen die eerst door de Kroon zouden zijn beslist. Daarmee zou een verschrikkelijk lange procedure worden geïntroduceerd (denk eens aan bestemmingsplannen: raad, GS, Kroon, rechtbank, Gerechtshof en Hoge Raad!), zodat er daardoor strijd zou ontstaan met art.6 van het EVRM dat ook een tijdige beslissing door een rechter garandeert ("binnen een redelijke termijn").De wetgever vond de oplossing in de Tijdelijke wet Kroongeschillen, waarbij de Afdeling voor de geschillen van bestuur als rechter (dus "marginaal toetsend") de taak van de Kroon zou overnemen. Omdat de uitspraak van het Europese Hof alleen betrekking had op geschillen waarin burgerlijke rechten en verplichtingen werden vastgesteld, meende de wetgever dat als er geen sprake was van vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen art. 6 EVRM niet toepasselijk was en dus het Kroonberoep kon blijven bestaan. De wetgever meende dat bij besluiten van algemene strekking (b.a.s.) geen rechten en verplichtingen werden vastgesteld en dus werd in de TwK de uitzondering opgenomen dat bij besluiten van algemene strekking het oude Kroonberoep bleef bestaan.
Sindsdien heeft het Europees Hof ook nog uitspraken gedaan in andere gevallen, waarbij met name de uitspraak-Jacobsson hier relevant is. Uit deze uitspraak blijkt dat in bestemmingsplannen naar alle waarschijnlijkheid, hoewel b.a.s., toch burgerlijke rechten en verplichtingen kunnen worden vastgesteld en dat dus ook bestemmingsplangeschillen niet langer meer door de Kroon in laatste instantie kunnen worden afgedaan. De reactie in de Nederlandse rechtspraak was onmiddellijk waarneembaar in de onteigeningsuitspraak door de gewone rechter in de fameuze casus-Boxtel: een uitspraak van de Kroon heeft geen status van definitieve uitspraak meer voor de gewone rechter. Opnieuw is dus nu de wetgever aan zet: er moet opnieuw een oplossing worden gevonden voor de Kroongeschillen. De herziening van de rechterlijke organisatie (tweede tranche Awb) voorziet hierin.5.1.3 De huidige situatie
In de Algemene wet bestuursrecht is bij de inwerkingtreding de rechtelijke organisatie ingrijpend veranderd. De regeling van rechtsbescherming is echter maar zeer ten dele algemeen van aard. De bijzondere administratieve rechters blijven een eigen compententie houden, naast de nieuwe algemene bestuursrechter.
De regeling in de Awb is als volgt opgebouwd:
1. Tegen alle Awb-besluiten waartegen beroep bij een rechter kan worden ingesteld moet alvorens dat beroep wordt ingesteld eerst bezwaar bij het beschikkend orgaan worden gemaakt (art.7:1 Awb). Die bezwarenronde is niet nodig bij:
een beslissing op bezwaar of in administratief beroep;
een goedkeuringsbesluit;
een besluit dat volgens afdeling 3.5 is voorbereid.
2. Nadat een bezwarenronde is doorlopen en de reclamant nog altijd ongelukkig is met het overheidsbesluit, kan een belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank (art.8:1 Awb).
3. Na het beroep bij de rechtbank kan zo nodig hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak.Geen beroep (en dus ook geen bezwaar) kan worden ingesteld tegen algemeen verbindende voorschriften* of beleidsregels, maar deze uitzondering is tijdelijk bedoeld (zie art. 8:2 Awb) Evenmin kan men tegen privaatrechtelijke rechtshandelingen (art.8:3 Awb). Evenmin kan beroep worden ingesteld tegen een aantal besluiten die zijn opgesomd in art. 8:4 Awb. Onder deze uitzonderingen vallen onder meer technische beoordelingen van een voertuig (zie art. 8:4, sub f Awb) of een beoordeling van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst (zie 8:4, sub e Awb). Ten slotte bevat de Awb nog een bijlage waarin een aantal wetten is opgesomd, die evenmin aanleiding kunnen geven tot beroepszaken bij de administratieve kamers.
3.1.4 5.2 Inspraak
Het is belangrijk om van de in 5.1 besproken mogelijkheden om te klagen tegen overheidsoptreden te onderscheiden de mogelijkheden die in enkele bijzondere wetten zijn opgenomen om in te spreken over het overheidsbeleid en het overheidsoptreden. Inspraak (zie bijvoorbeeld art.151 Gemeentewet) heeft een duidelijk ander karakter en doel dan de in 5.1 besproken klacht- en rechtsbeschermingsmogelijkheden.
Het doel van de inspraak is het overheidsoptreden kwalitatief beter te maken, door als overheid eerder op de hoogte te zijn van de belangen van de bij het besluit betrokken personen. (Zo is de inspraak-regeling mede bedoeld om met het gemeentebestuur te kunnen discussiëren over de beleidsrichting en de concrete beslissingen.) Niet alleen kan de overheid het beleid daardoor beter op de wensen van de betrokkenen afstemmen, tevens worden hierdoor beroepsprocedures voorkomen. Overigens is het paradoxaal wel zo dat het feit dat de overheid in de voorbereidingsfase opening van zaken geeft het risico met zich brengt dat de beroepen beter en deugdelijker kunnen worden onderbouwd.Het bieden van inspraak kan ook van belang zijn voor de rechter bij het beoordelen van met name de juistheid van de totstandkoming van bepaalde besluiten. Zo is reeds in deel 4 gewezen op het belang van het horen van betrokkenen (formele zorgvuldigheid of zorgvuldige voorbereiding). Zie aldaar het voorbeeld van mevrouw Cupido.
5.3 De ombudsman
5.3.1 Algemeen
Als er geen klachtmogelijkheden tegen het overheidsoptreden bestaan, kan er worden teruggegrepen op een klachtmogelijkheid bij de Nationale ombudsman. Dat betreft dus met name het overheidshandelen waar geen rechtsbescherming tegen is opengesteld, zoals het te hardhandig optreden van de politie of het antwoord van een overheidsorgaan om informatie. Sinds 1982 kennen wij daarvoor in Nederland het instituut van de ombudsman, een instituut dat geregeld is inde Wet Nationale ombudsman. Een ieder kan bij de ombudsman schriftelijk verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een administratief orgaan zich in een bepaalde gelegenheid heeft gedragen jegens een natuurlijke of rechtspersoon. Ook op eigen initiatief kan de ombudsman zaken onderzoeken.
De ombudsman onderzoekt op basis van een klacht of op eigen initiatief of het administratief orgaan zich al dan niet behoorlijk heeft gedragen. Alhoewel het oordeel van de ombudsman geen rechtsgevolgen heeft, volgt de overheid in het algemeen de aanbevelingen van de ombudsman op en hebben zijn rapporten in de praktijk invloed op het overheidsoptreden. Daarom is bespreking van de ombudsman in dit vak en in dit hoofdstuk op z'n plaats.
5.3.2 Bevoegdheid van de ombudsman
Een ieder kan een klacht indienen bij de ombudsman. De ombudsman is echter niet bevoegd om alle klachten over het overheidsoptreden te behandelen. Gelet op art.1 onder b van de Wet Nationale ombudsman moet het gaan om het handelen van de ministers, de Commissarissen van de Koningin en de burgemeesters, voorzover het betreft de uitoefening van hun wettelijke politietaken.
De ombudsman kan dus geen klachten onderzoeken tegen het handelen van de lagere overheidsorganen. In verband daarmee gaan steeds meer (grote) gemeenten ertoe over ook een lokale ombudsman of -vrouw in te stellen.Indien een klacht binnen een jaar na het overheidsoptreden wordt ingediend, is de ombudsman verplicht om de klacht te onderzoeken. Na het verloop van dat jaar is de ombudsman nog wel bevoegd, maar niet meer verplicht om de klacht te onderzoeken. Het verzoekschrift aan de ombudsman moet verder vooraf zijn gegaan door een mededeling aan het betrokken administratief orgaan dat er bezwaren tegen een bepaalde handelwijze bestaan, moet verder ondertekend zijn (dus niet anoniem) en moet vergezeld gaan van een motivering.
Tot slot kan er niet worden geklaagd over a.v.v., over het regeringsbeleid of over zaken waar een administratiefrechtelijke voorziening openstaat.
5.4 De organisatie van de rechtsbescherming in schema
Ter bepaling van de klachtinstantie zal een aantal vragen moeten worden beantwoord.
1. In de eerste plaats moet u weten of het gaat om overheidshandelen en om wat voor soort overheidshandelen het gaat. Mogelijkheden daarbij zijn:
1. handelen van de overheid als privaatrechtelijk rechtspersoon (privaatrechtelijke rechtshandeling; bijvoorbeeld verkoop grond; vestigen erfpachtrecht; verhuur van een woning, etc.)
2. feitelijk handelen van de overheid ten aanzien van:
2.1 een ambtenaar;
2.2 een ander.
3. bestuursrechtelijk handelen van de overheid (het nemen van een besluit, het weigeren een besluit te nemen, het te laat nemen van een besluit)2. De tweede vraag die beantwoording behoeft is of degene die wil klagen tegen het overheidshandelen, belanghebbende is. Als die vraag negatief wordt beantwoordt, moet u ook bezien of er bij het aan te vechten besluit sprake is van een “actio popularis”. Als dat zo is, geldt voor de beroepsmogelijkheden tegen het besluit hetzelfde als voor de belanghebbenden.
In geval van een positief oordeel over vraag B. gelden de volgende klachtmogelijkheden:
Bij gevallen van A.1 moet de gewone of civiele rechter worden ingeschakeld. U dient een advocaat in de arm te nemen die door middel van een dagvaarding de overheid voor de rechter kan dagen.
Bij gevallen van A.2.2 geldt dat u zich ofwel moet richten tot de civiele rechter (met een verzoek om financiele schadevergoeding) ofwel dat u zich kunt richten tot de Ombudsman. Ter illustratie: als de politie bij een voetbalwedstrijd onaanvaardbaar hard optreedt (ook jegens onschuldige toeschouwers), kunt u dit overheidsoptreden (feitelijk handelen) bij de civiele rechter aanhangig maken als u bijvoorbeeld onherstelbaar letsel heeft opgelopen of zodanig bent geraakt dat u financiële schade lijdt (ziekenhuisopname, ziekteverlof, etc). Als u alleen maar vindt dat u onnodig hard bent aangepakt, ligt een civiele schadeclaim niet voor de hand en zou u zich alleen nog kunnen wenden tot de Ombudsman.
Bij de overige gevallen (A.2.1 en A.3) zijn er drie mogelijkheden:
(1) de regeling waarin de bevoegdheid voor het bestuursorgaan voorkomt, kent een bijzondere, in die wet geregelde bezwaar- en beroepsmogelijkheid;
(2) de regeling waarin de bevoegdheid voor het bestuursorgaan voorkomt, kent geen bijzondere, in die wet geregeld bezwaar- en beroepsmogelijkheid, maar er is wel sprake van een Awb-besluit en er is geen sprake van een van de uitzonderingen van art. 8:2, 8:3, 8:4 of 8:5 Awb;
(3) de regeling waarin de bevoegdheid voor het bestuursorgaan voorkomt, kent geen bijzondere, in die wet geregeld bezwaar- en beroepsmogelijkheid, maar er is ofwel geen sprake van een Awb-besluit, ofwel er is sprake van een van de uitzonderingen van art. 8:2, 8:3, 8:4 of 8:5 Awb.In geval van (III) geldt dat u zich ofwel moet richten tot de civiele rechter (met een verzoek om financiele schadevergoeding) ofwel dat u zich kunt richten tot de Ombudsman.
In geval van (I) moet u in beginsel de bijzondere rechtsgang volgen. Nadat die rechtsgang is afgerond kunt u zich nog afvragen of de bijzondere rechtsgang wel met voldoende waarborgen was omgeven en of die rechtsgang wel voldoende mogelijkheden bood om uw verzoek te honoreren. Mocht dat niet zo zijn geweest, dan is wellicht een beroep op de civiele rechter met een verzoek om financiële schadevergoeding mogelijk. In het algemeen zal de bijzondere rechtsgang wel van voldoende kwaliteit zijn geweest en is verder bezwaar en/of beroep uitgesloten. Een aantal bijzondere rechtsgangen wordt hieronder bij 5.5 behandeld.
In geval van (II) geldt de algemene rechtsbeschermingsregeling uit de Awb. Deze regeling wordt in 5.6 behandeld. Daarbij dient wel gelet te worden op de vraag of de regeling waarin de betrokken overheidsbevoegdheid voorkomt, de mogelijkheid kent van administratief beroep (bij een ander bestuursorgaan). Als dat het geval is, zal voordat de Awb-standaardvoorziening kan worden gebruikt, eerst de administratieve beroepsgang moeten worden gevolgd.
5.5 Bijzondere rechtsgangen
Een bijzondere rechtsgang ontstaat wanneer er een andere administratieve rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen (art.8:6 Awb). Dit moet worden nagezocht in de regeling waar de overheidsbe-voegd-heid in is opgenomen. Van een aantal nog resterende, momenteel hoogste, bijzondere admini-stratieve rechters (bijv. College van Beroep voor de Studiefinan-cie-ring, College van Beroep voor het Wetenschappe-lijk Onderwijk, College van Beroep aanmelding en plaatsing studenten, College van Beroep voor de univeritaire examens, Klachtencommissies en College van Advies voor de Kinderbestrij-ding, Voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart, Hof van Discipline, Octrooiraad, Raad voor het Kwekers-recht) is nog onbekend hoe de rechtsbescherming er in de nabije toekomst uit gaat zien. Voor-lopig houden deze rechters hun bevoegdheid om als hoogste rechter te oordelen.
De vraag of een ander orgaan wordt beschouwd als administratie-ve rechter wordt beoordeeld aan de hand van criteria als onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het desbetreffende orgaan en van het procesrecht voor dat orgaan. Zie ook de criteria uit art.6 EVRM (ook wel: "is de ander procedure met voldoende waarborgen omgeven").
Voorbeelden van andere rechtsgangen zijn:
1. BELASTINGHEFFINGEN
Het besluit betreft een belastinggeschil (art.8:4 onder g Awb). Dan is bevoegd: danwel- de Tarief-commissie (accijnzen, invoerrechten, etc.), danwel- de belas-tingkamer van het Gerechtshof, met hoger beroep op de Hoge- Raad.2. SOCIALE VERZEKERINGS- EN PENSIOENSBESLUITEN
De sociale verzekeringsgeschillen en de geschillen met betrek-king tot pensi-oenbesluiten van de overheid werden tot voor kort behandeld door de Raad van Beroep, met een hoger beroep op de Centrale Raad van Beroep. Deze beroepsbe-voegdheden zijn sinds 1994 vervangen door een eerste be-roepsmogelijk-heid bij de administratieve kamer van de Rechtbank en een hoger beroepsmogelijkheid bij de Centrale Raad van Beroep.3. AMBTENARENBESLUITEN
De geschillen met betrekking tot besluiten ten aanzien van ambtenaren wor-den momenteel in eerste aanleg behandeld door de administratieve kamer van de Rechtbank --met een hoger beroep op de Centrale Raad van Beroep.D. ECONOMISCHE BESTUURSBESLUITEN
Voor deze besluiten (met name van publiekrechtelijke bedrijfsor--ganen, pbo's) is nu een eerste en enig beroep mogelijk op het College- van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB). Dit beroepsorgaan blijft bevoegd.5. OVERIGE UITZONDERINGEN
In een aantal procedures, waarbij de overheid optreedt, is de gewone rechter de bevoegde klachtinstantie. Denk hierbij aan de Wet-Mulder en aan de Onteige-ningswet (er zijn meer voorbeelden). De situatie zal hier niet veranderen.
In een groot aantal voor de vakgebieden Planologie en Verkeerskunde belangrijke besl-uiten is besloten dat er een rechtstreeks en enig beroep wordt openge-steld op de Afdeling bestuursrechtspraak. De eerste en enige beroepsmoge-lijkheid is deels bedoeld als een tijdelijke (5 jaar) afwijking van de algeme-ne regel, maar voorlopig is het einde van de tijdelijkheid nog niet in zicht. De bijzondere regeling (eerste en enig beroep) is terug te vinden in de bijzondere wetten (WRO, Wet milieubeheer, etc.). Als t.z.t zou worden besloten om de uitzondering te laten vervallen, kan in de meeste gevallen eenvoudigweg de bijzondere beroepsmogelijkheid worden- ge-schrapt.
De bijzondere procedure (eerste en enig beroep op de Afdeling) is van toepas-sing bij besluiten op basis van:
- Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO);
- milieugeschillen (met name Wet milieubeheer - Wm);
- Ontgrondingenwet;
- Natuurbeschermingswet (Nbwet);
- Landinrichtingswet (Lw);
- Dienstplichtwet;
- Wet gewetensbezwaren militaire dienst;
- Wet bejaardenoorden;
- Wet ziekenhuisvoorzieningen;
- Ziekenfondswet;
- Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ).
5.6 De algemene klachtprocedure uit de Awb
De algemene klachtprocedure uit de Awb houdt in dat nadat een besluit in genomen en bekend is gemaakt:
1 Bezwaar kan worden gemaakt bij het beslissend orgaan (art.7:1 Awb)
2 Beroep kan worden ingesteld bij de administratieve kamer van de Rechtbank (art.8:1 Awb)
3 Hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak -(art. 37 Wet op de Raad van State).5.7 De aanvullende rol van de gewone rechter
De gewone rechter ontleend zijn bevoegdheid aan art.2 Wet op de Rechterlijke Organisatie. De Hoge Raad heeft deze bepaling zo uitgelegd dat het recht waarin degene die het geschil aanhangig maakt, beschermd wenst te worden, bepalend is voor de vraag of de gewone rechter bevoegd is; met andere woorden: ook al is het geschil publiekrechtelijk van karakter, als de eiser stelt dat een regel van burgerlijk recht in het geding is, is de gewone rech-ter bevoegd. Als u bij-voorbeeld meent dat de overheid onrecht-matig handelt, dan kunt u voor de burgerlijke rechter stellen dat de overheid zich schuldig heeft gemaakt aan een onrecht-matige (overheids-)daad (art.6:162 BW), waardoor de burgerlijke rechter bevoegd is. U zult dan overigens wel moeten aantonen dat u ook daadwerkelijk zelf nadeel ondervindt van dat gestelde onrechtmatige overheidsoptreden.
Deze regel zou kunnen betekenen dat iedere administratief-rechterlijke beroepsmogelijkheid kan worden genegeerd door eenvoudigweg een onrechtmatige overheidsdaad te veronderstellen. De Hoge Raad heeft daarom tevens uitgesproken dat voor de ontvankelijkheid van de eiser eveneens nodig is dat er geen andere bijzondere rechts-gang aanwezig is waarbinnen men hetzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan behalen als bij de burgerlijke rechter. De vraag of er sprake is van een "rechtsgang" als hier bedoeld, wordt weer- beantwoord aan de hand van de hiervoor genoemde criteria als art.6 EVRM en "een met voldoende waarborgen omkleden rechts-gang".Twee belangrijke illustraties van de voorgaande regel betref-fen de casus-Nistelrode (zie hoofdstuk 3.1 van het diktaat Hoofd-lijnen) en de algemeen verbindende voorschriften-jurisprudentie van de Hoge Raad (het Tweede pocketboekarrest, het LSV-arrest en het Landbouwvlie-gersarrest). In deze uitspraken heeft de Hoge Raad uitgesproken- dat een bepaalde regeling (geen formele wet, want daaraan mag de Hoge Raad niet toetsen; constitutionele toetsing ontbreekt vooralsnog in Nederland!) onrechtmatig (ten opzichte van de eiser) is. Zelfs kan een gewone rechter in kort geding een bepaalde- a.v.v.-regeling "buiten werking stellen indien de regeling onmiskenbaar onverbindend is"!