RE 31
BESTUURSRECHT

 deel 1 diktaat re 31.doc
 

1 INLEIDING

1.1 Plaatsbepaling

De opzet van dit vak volgt een juridisch-technisch onderscheid. Bepalend is dus niet het onderwerp van het recht, maar de aard van de verhoudingen en van de juridische ordening. Het verschil, voortvloeiend uit de rol die de overheid speelt in de verhoudingen tussen personen, leidt tot een onderscheid in staats-, privaat-, bestuurs- en strafrecht. Binnen deze hoofdordening kennen we nog een onderscheid naar de soort van ordening: organisatie-, formeel en materieel recht. Zowel het verkeers-, het vervoer- als het ruimtelijk ordenings- en milieurecht bestaat uit een samenstelling van gedeelten van de juridisch-technische hoofdgebieden.  Die rechtsgebieden komen dus voort uit een ander soort indeling, gebaseerd op een functioneel onderscheid. In zoverre valt RE 31 niet te plaatsen ten opzichte van RE 21 en RE 22 of de hierna te doceren vakken RE 32, RE 34 en RE 42.

1.2 De drie klimaten

De vier hoofdgebieden waarin het recht wordt opgedeeld worden bepaald door de rol die de overheid speelt in de verhouding tussen personen. Er zijn drie verschillende soorten juridische personen:
-   natuurlijke personen (individuele personen);
-  privaatrechtelijke rechtspersonen (organisatievormen in het privaatrecht met rechtsbekwaamheid, denk aan een N.V., een B.V., een v.o.f., etc. etc.);
-  publiekrechtelijke rechtspersonen (organisatievormen in het publiekrecht met rechtsbekwaamheid, met name overheidsorganen).
Recht kan pas ontstaan binnen een georganiseerde gemeenschap. De mogelijkheden van een rechtsstelsel zijn afhankelijk van de ordening van de belangrijkste rechtsgemeenschap. Vandaag de dag is de staat de rechtsgemeenschap met het hoogste gezag, met soevereiniteit. Als grondslag voor al het overige recht zien wij dan ook het staatsrecht: de regeling van de fundamentele ordening van de staat en zijn onderdelen.
Overigens is er nog een rechtsgemeenschap naast en boven het nationale staatsgezag, de internationale rechtsgemeenschap.  Dit internationale recht kent ook bepalingen van "staatsrecht" en van de drie overige rechtsgebieden. Het internationale recht zal in dit vak verder niet aan de orde komen.
Op de bodem die het staatsrecht legt, gedijen vervolgens drie klimaten, soorten verhoudingen waarvan de ordening is doortrokken door een bijbehorende kernvraag:
-  in het privaatrecht staat de vraag centraal: hebben de personen die als particulieren aan het rechtsverkeer deelnemen, al dan niet zorgvuldig ten opzichte van elkaar gehandeld? De particuliere personen worden daarbij als in beginsel even sterke partijen beschouwd;
- in het administratief recht luidt de kernvraag: heeft de overheid al dan niet op een behoorlijke wijze gebruik gemaakt van haar bevoegdheid ten opzicht van een particulier? Daarbij moet de overheid de juistheid van haar handelen, in het licht van het algemeen belang, kunnen motiveren;
 - in het strafrecht ten slotte, gaat het erom of een persoon die van strafbaar gedrag verdacht wordt, al dan niet verwijtbaar heeft gehandeld ten opzichte van de gemeenschap. Daarbij moet de vervolgende overheid deze verwijtbaarheid bewijzen, gelden er verregaande bevoegdheden voor de opsporing en vervolging en zijn er strenge straffen mogelijk.
Ieder rechtsgebied kent zijn eigen begrippenkader, eigen interpretatiemogelijkheden van regels en met name ook eigen klacht- en beroepsinstanties.

De laatste jaren is er een steeds sterkere samenhang en samenwerking te constateren tussen met name het privaatrecht en  het administratief of bestuursrecht. De normen in het privaatrecht kunnen voor zover dat mogelijk is doorwerken in het bestuursrecht en vice versa. Deze "export" en "import" van normen uit een ander rechtsgebied wordt ook in de belangrijkste betrokken wetgeving geregeld door de zogenaamde schakelbepalingen. Zo'n  schakelbepaling is bijvoorbeeld terug te vinden in art. 3:1, tweede lid Awb.

1.3 Bestuursrecht

Het bestuursrecht (vroeger ook wel administratief recht genoemd) heeft dus betrekking op de verhouding tussen de overheid en de particulier. Het bestuursrecht bevat regels die zich richten op een tweetal aspecten van het besturen:
-1- wie mogen besturen; welke normen gelden er voor het uitoefenen van een bestuursbevoegdheid?
-2- welke mogelijkheden zijn er om tegen onjuist besturen op te komen of om onjuist besturen te voorkomen (bezwaar- en beroepsmogelijkheden)?
Dit leerblok Bestuursrecht zal zich richten op de beide aspecten van het bestuursrecht. Bij beide vragen speelt de zeer recente Algemene wet bestuursrecht (Awb, in werking getreden per 1 januari 1994) een zeer belangrijke rol.

1.4 Opbouw van dit dictaat

Dit dictaat kent in de lijn van hetgeen onder 1.3 is opgemerkt een tweedeling. In hoofdstuk 2 komen de algemene vragen over het overheidsoptreden aan de orde, in hoofdstuk 3 worden de contouren van de rechtsbescherming tegen het overheidsoptreden geschetst. In hoofdstuk 4 ten slotte wordt, onder meer ten behoeve van de opdrachten voor het leerblok RE 31, een aantal suggesties gedaan voor de inrichting van bezwaar- en beroepsschriften en voor de reacties op/beslissingen op deze bezwaar- en beroepsschriften.

<< Terug